Managementsamenvatting

Het IJsselmeergebied is de spil van de Noord-Nederlandse waterhuishouding. Het gebied herbergt ook bijzondere waarden voor natuur en cultuurhistorie. Door de Afsluitdijk is de veiligheid verhoogd en landaanwinning mogelijk gemaakt. Er is een zoetwatervoorraad gecreëerd waar de drinkwatervoorziening (Noord-Holland), de landbouw, de industrie en de natuur in een groot deel van Noord-Nederland van profiteren. Daarnaast maakt de samenleving op allerlei manieren gebruik van de meren en oevers voor recreatie, scheepvaart etc.

Het IJsselmeergebied is de belangrijkste zoetwatervoorraad van Noord-Nederland. De beschikbare voorraad zoetwater hangt samen met het zomerpeil in het IJsselmeer en het Markermeer. Het winterpeil van deze me-ren is bepalend voor de waterveiligheid. In het Deltaprogramma IJsselmeergebied gaat het concreet om de opgave om bij een stijgende zeespiegel het teveel aan water door middel van spuicomplexen en pompen in de Afsluitdijk te kunnen blijven afvoeren naar de Waddenzee. Wanneer klimaatverandering in tijd en tempo toeneemt dient het peilbeheer, vanwege de opgave vanuit de zoetwatervoorziening, ook meer in samenhang met de waterveiligheid beschouwd te worden.

Waterafvoer bij stijgende zeespiegelstijging
Uitgangspunt is dat het gemiddelde winterpeil ongeveer op hetzelfde niveau wordt gehouden. Dit wordt tot 2050 gedaan door de inzet van spuien en pompen. De Afsluitdijk wordt anno 2020 versterkt en de capaciteit om water af te voeren naar de Waddenzee vergroot, door het plaatsen van pompen in het spuicomplex Den Oever en het creëren van extra spuicapaciteit. Hiermee wordt voorkomen dat de voorziene stijgende zeespiegel en de toenemende piekafvoeren van de IJssel tot 2050 doorwerken op het peil van het IJsselmeer.

In 2050 zijn de huidige spuicomplexen in de Afsluitdijk aan vervanging toe. De primaire vraag is dan: Hoe kunnen we de periode na 2050 de zeespiegelstijging opvangen? In het Deltaprogramma 2015 is duidelijk geworden dat het volledig mee laten stijgen van het IJsselmeerpeil met de stijgende zeespiegel en toenemende piekafvoeren niet kosteneffectief is, en behoorlijk negatieve gevolgen voor de omgeving heeft. Daarom is in de Deltabeslissing 2015 gekozen het gemiddeld winterpeil van de meren tot 2050 niet te laten stijgen.

Vooralsnog is voortzetting van dit beleid na 2050 het beste. Als antwoord op klimaatverandering is er nu geen aanleiding te kiezen voor stijging van het gemiddeld winterpeil na 2050. Gezien alle ontwikkelingen is het wel verstandig hiervoor beleidsruimte te creëren. Onder het kopje Peilbeheer van de meren is dit toegelicht.

Beheersing van de meerpeilpieken
Bij ongunstige wind kan soms langere tijd het overtollige water niet gespuid worden, waardoor het waterpeil kortstondig stijgt. Dit leidt tot meerpeilpieken. In de Deltabeslissing 2015 is er geen rekening mee gehouden dat de hoogte van voorkomende meerpeilpieken, verandert onder invloed van klimaatverandering en de geleidelijke toename van de rol van pompen in de waterafvoer. De frequentie waarmee meerpeilpieken voorkomen is belangrijk voor het ontwerpen van de waterkeringen. Het advies is om na 2050 de meerpeilpieken met een overschrijdingskans van 1:10 jaar of groter niet in hoogte toe te laten nemen. Als gevolg van de stijging van de minder frequentere meerpeilpieken zal ook na 2050 een ‘gematigde’ dijkversterking nodig zijn.

Peilbeheer van de meren
De Deltabeslissing 2015 voorziet in flexibeler beheer van de streefpeilen, waardoor beter kan worden ingespeeld op de verwachte weersomstandigheden, én een grotere zoetwatervoorraad gecreëerd. Sinds juni 2018 wordt in het IJsselmeer en het Markermeer in de zomer een flexibel waterpeil gehanteerd. Dit heeft geleid tot de structurele beschikbaarheid van een buffervoorraad zoetwater van 400 miljoen m3 (waterschijf 20 cm). Gezien alle onzekerheden is een gemiddelde peilstijging van het winterpeil (maximaal 30 cm) na 2050 van het IJsselmeer en het Markermeer niet uit te sluiten. Voor het IJsselmeer is deze beleidsmatige ruimte al opgenomen in het NWP. Voor het Markermeer is het advies deze beleidsmatige ruimte ook in het NWP3 op te nemen.

Voor beide meren geldt, dat na besluitvorming over een verhoging van het gemiddeld winterpeil, deze verhoging op zijn vroegst 25 jaar na de besluitvorming begint en geleidelijk wordt ingevoerd. Naast de zekerheid voor de omgeving biedt deze termijn voldoende ruimte voor het maken van weloverwogen en maatschappelijk goed te verantwoorden beslissingen. De kans dat investeringen gepleegd worden, die op relatief korte termijn achterhaald zijn wordt daarmee verkleind.

Samenvattend zien we als hoofdlijnen:
Op basis van nieuwe kennis en inzicht (Integrale Studie Waterveiligheid en Peilbeheer) wordt het gemiddelde winterpeil op het IJsselmeer en het Markermeer op het huidige niveau gehandhaafd en gestreefd naar een gematigde beheersing van de meerpeilpieken. Wanneer dijkversterkingen nodig zijn wordt bij het ontwerp daarvan rekening gehouden met de meerpeilpieken die in de toekomst op kunnen treden. Voor het Markermeer is het advies om als beleidsruimte een mogelijke stijging van het winterpeil van maximaal 30 cm in het NWP3 op te nemen. Voor het IJsselmeer is deze beleidsruimte al vastgelegd en dient gehandhaafd te blijven.

Zoetwater IJsselmeergebied
De langdurige droogte van 2018 heeft onverwachte knelpunten aan het licht gebracht in het IJsselmeergebied, waaronder verzilting. Nieuwe berekeningen bevestigen dat voor 2050 problemen kunnen ontstaan met watertekorten en met name verzilting. Daarom vindt er onderzoek plaats naar maatregelen om de watervraag te beperken en om het aanbod te stabiliseren of te vergroten. Dit leidt mogelijk tot aanscherping van de ambitie voor de mate waarin het IJsselmeergebied bestand wil zijn tegen droogte. De trits: beperken, vasthouden en bufferen is anno 2020 nog zeer actueel, en daarmee ook de afspraken in het Pact voor het IJsselmeergebied.

Belangrijke onderdelen van de ‘nationale’ zoetwaterstrategie zijn:

  • Hoofdwatersysteem. Er is een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden om het hoofdwatersysteem meer klimaatbestendig te maken. Hierbij gaat het om het slimmer verdelen en vasthouden van water, wat leidt tot een robuustere, klimaatbestendige watervoorziening uit het hoofdwatersysteem 2022-2027. Het Deltaprogramma Zoetwater heeft hiervoor mogelijke strategieën bedacht, die een verdiepingsslag vragen.
  • Regionaal watersysteem. Klimaatveranderingen, en het niet overbelasten van het hoofdwatersysteem vragen een klimaatbestendig regionaal grond- en oppervlaktewatersysteem, dat niet tot extra waterbezwaar van het hoofdwatersysteem mag leiden. Dit vraagt desgewenst nieuwe bestuurlijke afspraken.
  • Uitwerking Waterbeschikbaarheid. Het Bestuurlijk Platform Zoetwater heeft eind 2018 een kaart met urgente gebieden vastgesteld voor de zoetwaterregio’s. Deze gebieden krijgen prioriteit bij de uitwerking van waterbeschikbaarheid. Hierbij voeren overheden en gebruikers een dialoog in drie stappen: transparantie, optimaliseren en afspraken maken en vastleggen worden doorlopen.
  • Herstel grondwaterstanden. In gebieden waar de grondwatervoorraden in 2018 en 2019 onder druk hebben gestaan zetten beheerders waar mogelijk in op herstel via water- en peilbeheer. Zowel op lokaal als regionaal schaalniveau wordt hiertoe een groot aantal maatregelen voorbereid en uitgevoerd.
  • Impuls Slimwatermanagement. De droogte heeft laten zien dat het van belang is om goede afspraken te maken in het operationele beheer over beheergrenzen heen. Daarom worden redeneerlijnen uitgewerkt om handelingsperspectieven te bieden bij een periode van droogte en is er behoefte aan de inrichting van een informatiescherm om over beheergrenzen heen zicht te krijgen in de toestand van het watersysteem.