ANT-IJsselmeergebied : vijf jaar studie naar kansen voor het ecosysteem van het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer met het oog op de Natura-2000 doelen
Voor het IJsselmeer en het Markermeer-IJmeer zijn in 2009 Natura 2000 instandhoudingsdoelen vastgesteld. Daarbij is besloten om geen herstelopgaven te formuleren voor een tiental vogelsoorten waarvan de aantallen voorafgaand aan het formuleren van de doelen waren afgenomen (neergaande trends). In plaats daarvan zijn behoudsdoelen opgesteld op basis van de situatie in de periode 1999-2003. In combinatie daarmee heeft Rijkswaterstaat onderzoek toegezegd naar de oorzaken van de neergaande trends, naar de mogelijkheden om deze trends te keren en naar de kosten die daarmee gemoeid zijn. Op basis van deze toezegging is de ANT studie uitgevoerd (2009-2013).
De studie gaat in op de volgende vragen:
1. Welke mechanismen in het IJsselmeergebied zijn de grootste veroorzakers van de neergaande trends?
2. Zijn de huidige instandhoudingsdoelen haalbaar zonder aanvullende maatregelen?
3. Welke maatregelen zijn effectief om de instandhoudingsdoelen te bereiken?
4. Welke niveaus van instandhoudingsdoelen kunnen worden bereikt tegen welke financiële inspanning?
De belangrijkste conclusies van de systeemanalyse op een rij:
1. De autonome neergaande trends van de watervogels in het IJsselmeergebied zijn grotendeels in de regio zelf veroorzaakt.
2. Door afname van nutriënten is, meer dan de primaire productie, vooral de kwaliteit van algen als voedsel en als basis van de rest van het voedselweb verslechterd.
3. Vanaf begin jaren negentig is de productie van zoöplankton (onder andere voedsel voor Spiering) beperkt door de kwaliteit van algen. De voedingswaarde van mosselen is sinds die tijd ook sterk verslechterd.
4. Aanpassing van de soortensamenstelling van algen is de oorzaak van het afgenomen doorzicht in het Markermeer. De afname van het doorzicht wordt dus niet zoals eerder gedacht veroorzaakt door een toename van anorganisch slib alleen.
5. Interactie tussen algen en slibdeeltjes (vlokvorming gevolgd door sedimentatie) speelt een rol bij de verschillen in secundaire productie (biomassa zoöplankton, vis en mosselen) tussen IJsselmeer en Markermeer.
6. Het aandeel grotere Spiering in de spieringpopulatie is afgenomen nadat de visserijdruk toenam, aanvankelijk gecompenseerd door relatief grote hoeveelheden kleine Spiering. Begin jaren 90, toen ook de samenstelling en voedingswaarde van het fytoplankton veranderde, nam ook de kleine Spiering af.
7. De overgebleven “mosseletende” watervogels zijn inmiddels gedeeltelijk overgestapt op andere prooisoorten, zoals slakjes, erwtenmosseltjes en vlokreeftjes. Er heeft geen herstel van de vogelpopulaties plaatsgevonden als reactie op de opmars van de Quaggamossel.
8. De toename van Quaggamosselen heeft geleid tot een toename in helderheid van het water in het voorjaar, in het zuidelijke IJsselmeer en het IJmeer, waardoor ondiep duikende visetende vogels (Dwergmeeuw, Visdief en Zwarte Stern) in deze gebieden weinig Spiering vinden (omdat die liever in minder helder water zit).
- Auteur(s):
- R. Noordhuis, S. Groot, L.M. Dionisio Pires en M.J. Maarse
- Organisatie(s):
- Deltares
- Publicatiedatum:
- 1 maart 2014

